Het zuidelijkste bed
22 oktober 2013 - Southport, Australië
Ik fiets van Cygnet via Huonville naar Geeveston. Het is een korte, makkelijke rit langs velden en een rivier. Na een kleine heuvel zeil ik al snel Huonville in. Ik zie een hotel en bedenk even om er te stoppen. Maar ik heb pas twintig kilometer gehad, dus mag de dag nog best wat langer duren. Dat is een goed teken, want ik begin er zin in te hebben. En om die zin gaat het. Uiteindelijk zal ik op de fiets zitten, zien dat ik nog dertig kilometer te gaan heb en denken: “mooi, er komt nog wat”.
Mij boek is uit. Dat is het probleem van reizen zonder computer: ik lees meer. Waar ik over het eerste boek drie weken deed, lees ik het tweede boek in twee dagen uit. In een winkeltje in de hoofdstraat van Huonville vind ik In Tasmania, over de geschiedenis van het eiland. Een aanrader, hoop ik als ik het in mijn tas stop.
Ik fiets verder langs de Huon-rivier (ook al een Franse naam, net als Huonville). Het is een brede rivier met een eiland in het midden. Het eiland doet een beetje Biesbosserig aan, moerassig, vochtig, wild. In Franklin werden vroeger boten gebouwd van de plaatselijke bomen. Ook nu nog kan je er een opleiding volgen in het bouwen van houten boten.
Die liefde voor hout zorgt hier vaak voor discussie. Want wil je de boom beschermen of omhakken em er iets moois van te maken? Een houten schip van lokaal hout is prachtig, maar een boom van honderd meter hoog en duizend jaar oud is dat ook. Kan je tegen mensen zeggen dat ze hun honderd jaar oude tradities moeten opgeven en een betere band met het land moeten opbouwen? Zorgen de tradities niet juist voor de band?
En zonder hout geen mooie houten huizen...
In Geeveston klopt het houten hart het hardst. Er is een heus Forest & Heritage Centre, waar door de houtindustrie wordt uitgelegd dat houtproductie heus niet ten koste van de natuur hoeft te gaan. Op zich betwijfel ik dat, maar er wordt geëxperimenteerd met het kappen van stukken bos terwijl een ander stuk ernaast blijft staan. En als je langer bent dan 85 meter of een adelaarsnest op je hoofd hebt, mag je ook blijven staan. Het lijkt me beter dat men de handen van het oude bos af houdt. Een enkele boom laten staan is zielig, toch?
Ik eet pizza bij een Turkse diner, slaap in een Beren-B&B en mag zelfs een film uitkiezen om te kijken. Heerlijk.
Ik verlaat de grote weg, want ik hoorde van de hoteleigenaar in Cygnet dat deze smal en onveilig voor fietsers is. De smalle omweg loopt langs de kust, dus hoop ik op een vlakke rit. Helaas, de weg stijgt en daalt als een krolse pony.
Het nadeel van de klim kent iedereen. De weg omhoog kan zwaar en lang zijn. Maar bedenk eens hoe zuiver het harde werk van het klimmen is. Elke klim wordt beloond met uitzicht en een zalige afdaling. Zo bekeken heb ik een geluksdag, de zon schijnt en ik kijk uit over de naar beneden glooiende velden. In de diepte duiken ze het water in, om aan de andere kant van de steeds breder wordende Huon weer omhoog te klauteren. De rivier is geen rivier meer, maar een zeearm waar de vingers van Tasmanië in liggen te weken.
Het vreemde is dat het landschap niet buitenaards aandoet. Ik zou net zo goed ergens in Europa kunnen fietsen, alleen zou ik niet precies weten waar. Pas als ik een kaketoe op een tak zie zitten, besef ik hoe ver ik van huis ben...
De weg klimt over heuvels en duikt in plooien om bij een stroompje wat nette huisjes een veilige haven te bieden. Die kleine huisjes zijn zo klein nog niet. Het zijn riante zomerhuizen met uitzicht op zee. Ze klemmen zich rillend tegen de heuvelrug aan, want ze staan het grootste gedeelte van het jaar leeg. Ik vraag me af hoe druk het hier zal zijn rond kerst, als heel Australië met vakantie is. Zouden er hier dan files staan?
De zomer moet ook de tijd zijn dat kleine plaatsjes als Dover hun inkomsten binnenhalen. Ik rijd er na mijn kustrit binnen en het is er stil. Ik houd de kust aan. De winkels liggen verder de heuvel op en ik moet nog verder. Southport roept.
Een heuvel, drie kaketoes en een bos verder rijd ik het zuidelijkste dorpje van Australië binnen. Ik logeer in een cabin (dat is een huisje) bij de zuidelijkste kroeg. Ik wilde eigenlijk in een hostel slapen, maar dat hostel bestaat niet. Ik drink een biertje van de zuidelijkste tap, eet het zuidelijkste knoflookbrood en slaap in het zuidelijkste bed. Dat laatste is niet waar, maar dat zie ik morgen wel weer.










